Vlist
Vlist >  Slagenlandschap >  Lengtematen

Lengtematen

Van oudsher vormden lichaamsdelen de vergelijkingsmaatstaf voor het bepalen van de lengte. Zo ontstonden als lengtematen: de duim (2,6 cm), de (hand)palm = 4 duim, de voet = 12 duim, de el = 26 duim, de vadem = 6 voet en de roede = 12 voet = 2 vadem. (overzichtelijker maken) Een vadem is de afstand tussen de toppen der middelvingers bij zijwaarts gerichte armen. Touw werd vaak bij de vaam verkocht. De Engelse yard (maatstok) is 3 voet lang, gelijk aan een halve vadem. De Rijnlandse roede (maatstaf) is 12 voet lang, gelijk aan 2 vadem. De el was typisch voor het afmeten van textiel. Het is afgeleid van de elleboog en geeft de lengte van de onderarm weer (vanaf de vingertoppen tot de oksel: thans 69 cm). De omtrek/diameter van een paal of mast werd aangegeven in palmen. De dikte van een plank in duimen. De breedte van een land of weg werd in roeden (maatstaf) aangegeven. Een voorling was de lengte van een ploegvoor, 60 roeden lang, waarna de ploeg werd gekeerd.

lengtegrafiek.jpg





Lengtematen

Van oudsher vormden lichaamsdelen de vergelijkingsmaatstaf voor het bepalen van de lengte. Zo ontstonden als lengtematen: de duim (2,6 cm), de (hand)palm = 4 duim, de voet = 12 duim, de el = 26 duim, de vadem = 6 voet en de roede = 12 voet = 2 vadem. (overzichtelijker maken) Een vadem is de afstand tussen de toppen der middelvingers bij zijwaarts gerichte armen. Touw werd vaak bij de vaam verkocht. De Engelse yard (maatstok) is 3 voet lang, gelijk aan een halve vadem. De Rijnlandse roede (maatstaf) is 12 voet lang, gelijk aan 2 vadem. De el was typisch voor het afmeten van textiel. Het is afgeleid van de elleboog en geeft de lengte van de onderarm weer (vanaf de vingertoppen tot de oksel: thans 69 cm). De omtrek/diameter van een paal of mast werd aangegeven in palmen. De dikte van een plank in duimen. De breedte van een land of weg werd in roeden (maatstaf) aangegeven. Een voorling was de lengte van een ploegvoor, 60 roeden lang, waarna de ploeg werd gekeerd.

lengtegrafiek.jpg



Oppervlaktematen
Een boer wist hoeveel land hij in een bepaalde tijd kon ploegen, maaien of bezaaien. Daarom werd de oppervlaktemaat van het land hierin uitgedrukt. Als oppervlaktematen die zijn ontstaan halverwege de middeleeuwen golden: de morgen (= 10 bij 60 roeden), de gemet (= ½ morgen),  100 vierkante roeden (= een hond, afgeleid van het woord honderd), 1 morgen (= 6 honden).
Bij het begin van de ontginning werd uitgegaan van een hoeve met een standaardafmeting van 30 roeden breed en 6 voorlingen lang (= 18 morgen = 113 bij 1365 meter = 15,3 hectare). Omzetten in een toegankelijke illustratie) Men ging ervan uit dat een boerenfamilie hiervan kon bestaan.
De achtergrens van een boerderij lag dus op ongeveer 1250 tot 1400 meter.
Een voorling was de lengte van een ploegvoor (60 roeden lang) waarna de ploeg werd gekeerd. De boer kon met een ossenspan in een morgen een ´morgen´ land (60 bij 10 roeden) ploegen. Een ´gemet´ (1/2 morgen) maaien met een sikkel duurde een dag. Kleine oppervlakten, bijvoorbeeld voor het telen van hennep, werden voor het heffen van belasting uitgedrukt in het aantal honden.
Bij de allereerste ontginningen, zoals bijvoorbeeld ter plaatse van Ouderkerk a/d IJssel, was er geen achtergrens bepaald. De groep boeren had het recht van ´vrije optrek´. Zodat de achtergrens lag op ongeveer 12 voorlingen. De percelen (ook ´weren´ genoemd) waren 34 morgen in plaats van 18, zoals bij de latere ´cope´-ontginningen werd overeengekomen. De Ouderkerkse boer mocht ontginnen tot hij niet verder kon door het bereiken van een veenwater, zoals de Loet, of zijn buurman uit Lekkerkerk tegenkwam. De grens tussen twee ontginningen, een kade, heet de landscheiding.
Het woord ´cope´ heeft betrekking op de overeenkomst die de landsheer met een groep ontginners sloot en waarin bepalingen over de grootte, de hoogte van de grondbelasting en andere zaken waren opgenomen.

oppervlaktegrafiek.jpg

Middeleeuws landschap en matenstelsel

In de middeleeuwen was een streek een gesloten economisch geheel met eigen maten en gewichten. Voor de invoering van het metrieke stelsel in 1821 verschilden de lengtematen van streek tot streek. De namen waren gelijk, maar de afmetingen verschilden. Het bekendst waren de Rijnlandse maten.

Veel maten waren afgeleid van werkzaamheden op het land. Een boer wist bijvoorbeeld hoeveel tijd hij kwijt was met het ploegen van een bepaalde oppervlakte: in een morgen kon de boer met een ossenspan een ´morgen´ land ploegen. Een ´gemet´ (1/2 morgen) maaien met een sikkel duurde een dag.

 
sla_C2b.jpg
De middeleeuwse boer ploegend, zaaiend en maaiend.